Voorwoord.

Vele bezoekers van ons museum willen graag meer weten over de achtergrond en de origine van de textielindustrie en het tapijtgebeuren in het algemeen. Aangezien het ons vaak aan tijd ontbreekt om op deze vragen dieper in te gaan, hebben we besloten dit werkje te schrijven.

We hebben ook, gezien de diversiteit van de vragen, besloten om de uiteenzetting op te splitsen in meerdere hoofdstukjes. We behandelen afzonderlijk de geschiedenis van Roubaix, de Vlamingen in Roubaix, de sociale toestanden van de wevers in de streek en de geschiedenis van het tapijtweven zelf. In een eerste hoofdstukje behandelen we uiteraard ook de ontstaansgeschiedenis en de doelstellingen van "la Manufacture de Flandres", ons Jacquardmuseum in Roubaix.

 

Pag 2: La Manufacture des Flandres: het Jacquardmuseum in Roubaix.

Pag 3 : De geschiedenis van Roubaix en zijn textielindustrie.

Pag 7 : De geschiedenis van de tapijtweefkunst.

Pag 11 : Jacquard, leven, werken en de legende.

Pag 15 : Het linnen in Vlaanderen tussen 1840 en 1850.

Pag 18 : Geleid bezoek aan het jacquardmuseum.

La Manufacture des Flandres, het Jacquardmuseum in Roubaix.

 

De "Manufacture des Flandres" in Roubaix is een museum dat de geschiedenis en evolutie van het jacquardweven illustreert. Dit museum bevindt zich in één van de gebouwen van de weverij "Craye S.A", die deel uitmaakt van de Frans-Belgische groep "Flemish Tapestries". Aan de leiding van deze groep staat Mr. Hendrik Persyn, telg uit een zeer Vlaams voelende familie uit West-Vlaanderen. Tot begin de jaren negentig beperkt Mr. Persyn zich tot een groothandel in Jacquardweefsels. In die periode komt zijn belangrijkste leverancier; S.A. Craye, in de problemen. Mr. Persyn neemt de zaak over, alsook enkele weverijen in St. Niklaas (België). Samen vormen die nu "Flemish Tapestries", gespecialiseerd in het reproduceren van oude Vlaamse wandtapijten. De hedendaagse automatisering van het weven leidt ertoe dat steeds minder vloeroppervlakte nodig is, en dus kwam er bij Craye een zaal vrij. Op initiatief van Mr. Persyn werd beslist in die ruimte een museum te installeren. Maar laten we hem zelf vragen waarom!

H. Persyn: In 1918 was het totale vloeroppervlak van het bedrijf Craye 15 000m². Vanaf het wassen van de wol, tot en met het weven zelf, alles werd hier uitgevoerd. Maar zoals andere bedrijven in de sector kende Craye problemen. Bepaalde delen van de gebouwen werden verhuurd, maar er bleef nog ruimte vrij, en met die ruimte wilde ik iets speciaals aanvangen. Terloops: mijn eerste beroep was geschiedenisleraar. Dit bracht me vanzelfsprekend op het idee om de geschiedenis van het weven door de eeuwen heen te herontdekken. Waar kon ik dat beter realiseren dan in deze omgeving? De wortels van de textiel en het weven zitten diep in de grond van dit Vlaanderen, Frans en Belgisch. De knowhow ervan is van generatie op generatie doorgegeven, en dat erfgoed ligt Roubaix nauw aan het hart. Het project leek dus vanzelfsprekend.

Vraag: Wanneer is dit museum geopend?

H. Persyn: Om precies te zijn openden we vier uur voor "La Piscine", op 21 Oktober 2001. Dit maakt van ons museum het oudste museum van Roubaix. Ons museum is echter een privé-initiatief, en kan dus geen beroep doen op subsidies. Beetje bij beetje zijn we er toch toe gekomen om een vorm van samenwerking uit de grond te stampen, en vandaag gaan de bezoekers heen en weer tussen de beide musea. Wij tellen zo’n 20 000 bezoekers per jaar. Ze komen uit alle hoeken van Europa en zelfs van erbuiten. Onze gidsen verwelkomen iedereen hartelijk, en spreken ze toe in 4 talen.

Vraag: Waar komen de tentoongestelde getouwen vandaan?

H. Persyn: Wij tonen zo’n 15 tal getouwen, opgesteld in chronologische volgorde. We gaan van de middeleeuwse handbediende getouwen tot aan de computergestuurde machines van het einde van de 20ste eeuw. Op 1 400 m² wandelen we door eeuwen van technische evolutie. Die getouwen komen zo een beetje overal vandaan. Ze zijn aangekocht bij of geschonken door verzamelaars,

ondernemingen en particulieren. Landen van herkomst zijn Frankrijk, België, Zwitserland, Italië en Spanje. De klap op de vuurpijl is een bandweefgetouw uit 1884. Dit grandioos meubel is gebouwd uit massief notelaarhout. Zijn gebeitelde versieringen geven het zelfs de allures van een prachtig orgel.

Vraag: In welke staat bevinden deze getouwen zich?

H. Persyn: Dit is precies ons sterkste punt: alle, maar dan ook alle, getouwen zijn tot in de puntjes gerestaureerd en volledig klaar om te functioneren. Dit maakt precies de sterkte uit van ons initiatief, en onderscheidt het van zovele andere. Ons museum is een LEVEND museum. Bij elke rondleiding werken onze gidsen, gedreven oud-wevers, op ELK getouw.

Vraag: Is de weverij Craye nog altijd actief?

H. Persyn: Gelukkig wel! In onze toonzaal bewijzen we onze bekwaamheid en de knowhow van onze onderneming op vandaag. Deze zaal is voorbehouden aan onze cliënten die van overal ter wereld op bezoek komen. We tonen er reproducties van beroemde doeken zoals "Dame à la Licorne", het tapijt van Bayeux over de slag bij Hastings en andere zoals de Geschiedenis van de Ridders van de Ronde Tafel. De originelen hiervan zijn tentoon gesteld in Birmingham. We weven natuurlijk ook eigentijdse motieven naar ontwerpen van onze drie creatie-medewerksters.

Vraag: Kan men deze werken bij jullie ook aankopen?

H. Persyn: In de boetiek van het museum bieden we een grote verscheidenheid van onze producten te koop aan. Dit gaat van wandtapijten over bedspreien, kussens, handtassen tot tafelversieringen. We doen er alles aan om de schoonheid van jacquardweefsels ook in deze 21ste eeuw deel te laten uitmaken van het dagelijkse leven.

De weverij S.A. Craye.

Het is een Vlaamse inwijkeling, Israël Jean-Baptiste Craye, die in 1878 in de rue de la Fosse-aux-Chênes te Roubaix een textielbedrijf begint. Aanvankelijk werkt hij met thuiswevers, maar kort na de eerste wereldoorlog begint hij een weverij in de rue de Nancy te Roubaix, waar het bedrijf zich nog altijd bevindt. Daar ligt de nadruk onmiddellijk op het weven volgens de jacquardtechniek, en vanaf 1980 hoofdzakelijk op het reproduceren van oude Vlaamse wandtapijten. Deze weverij is, in wat vroeger "het Manchester van het Noorden" genoemd werd, het laatste textielbedrijf dat heeft weten te overleven. Daar waar vroeger de bedrijven, weverijen, spinnerijen en ververijen, op verschillende uren ploegen wisselden om geen overbelasting van het verkeer in Roubaix te veroorzaken, werken er vandaag nog 5 wevers in deze stad, alle 5 tewerkgesteld bij Craye.

 

 

De geschiedenis van Roubaix en zijn textielindustrie.

De basis van wat vandaag Roubaix is, wordt gelegd op 1 November 1469. Op die datum bekomt Pierre de Roubaix, Heer van Roubaix, de befaamde "Charte Manufacturière". Karel de Stoute verleent hem die als dank voor bewezen diensten als diplomaat en als veldheer. Vanaf die dag hebben de inwoners van Roubaix het recht om wettelijk weefsels te vervaardigen in wol. Vanaf die datum ook ligt Roubaix constant in de clinch met Rijsel, Tourcoing en andere textielgrootheden uit de omgeving. Deze proberen hun eigen voorrechten te beschermen, en betwisten de rechtsgeldigheid van elk nieuw weefsel dat de inwoners van Roubaix produceren. Gedurende drie eeuwen voeren ze processen, maar Roubaix haalt uiteindelijk de bovenhand, wat de "Chambre de Commerce" van Rijsel in 1776 laat schrijven :" Binnen 20 jaar, zal er geen sprake meer zijn van stoffenfabrikanten in Rijsel". Op dat ogenblik staat Roubaix op de vooravond van een explosieve industriële revolutie.

Het is onder Napoleon dat deze vorm krijgt. Maar in die periode is nog totaal geen sprake van immense fabrieken. Het merendeel van de wevers werken nog thuis. Handelaars leveren de grondstoffen, en komen later de afgewerkte weefsels ophalen. Het grootste deel van deze wevers werkt enkel ‘s winters op hun weefgetouw. Gedurende de zomer bewerken ze de akkers. Vele mijnwerkers, (Valenciennes en omgeving), werkten ‘s morgens ondergronds, en ‘s namiddags op de velden. Vele van deze werkkrachten waren afkomstig uit België, en dat zette kwaad bloed bij de autochtone Fransen, die in tijden van laagconjunctuur node deze goedkopere arbeiders hun arbeidsplaatsen zagen innemen.

De eerste sociale rellen doen zich voor op 14 juli 1819, op het uur dat de weverijen sluiten. 400 à 500 manifestanten verzamelen zich en vallen de Belgen aan. Eén Belg krijgt een baksteen in het gezicht en bloedt hevig. De daaropvolgende dagen volgen nog schermutselingen die eerder verbaal van aard zijn.

Vanaf 1815 was de Frans-Belgische grens enerzijds gesloten voor producten uit het buitenland, maar anderzijds wijdopen voor arbeiders. In dit verband schreef Raoul Blanchard1 "De welvaart van Rijsel en omgeving komt voort uit de blokkade van buitenlandse producten, terwijl die grens wijd open staat voor de enorme stroom Belgische arbeiders die goedkoop komen werken in de lokale fabrieken."

Het is pas met de komst van de stoommachines en de jacquardgetouwen dat de monsterfabrieken kunnen ontstaan. In Engeland werken de eerste stoomaangedreven getouwen vanaf 1789 in het bedrijf van Edmund Cartwright in Doncaster. Roubaix moet wachten tot 1824 vooraleer bij Grimonprez-Bulteau de eerste stoommachine geïnstalleerd wordt. 10 jaar later telde men reeds 10 fabrieken met stoomaandrijving. Ondertussen steekt een ander groot probleem de kop op. Roubaix, dat van een kleine gemeenschap uitgegroeid is tot een belangrijk centrum, heeft in de onmiddellijke omgeving geen enkele belangrijke waterloop. De ververijen vervuilen de weinige oppervlaktewaters en andere fabrieken slaan ondergronds grote watervoorraden op. Vele families bedienen zich van regenwatertonnen om te voorzien in hun dagelijkse behoeften, ook voor het bereiden van voedsel. De burgerij plaatst in 1815 een pomp op de grote plaats, maar die zal nooit water leveren, vanwaar de bijnaam "de mooie nutteloze". De explosief aangroeiende bevolking van Roubaix zorgt ook voor de nodige problemen. De aanzienlijke concentratie van werknemers op de beperkte oppervlakte van de steden gaf aanleiding tot het ontstaan van "les courées". De beste vertaling van dit begrip zou moeten "slopjes" zijn of misschien ook "beluik". De eerste fabrikanten, ze waren op zoek naar grote aantallen wevers en andere arbeiders, bouwden naast hun bedrijf werkmanshuisjes. Dit waren, zacht uitgedrukt, bescheiden woningen, maar elk wel met een eigen moestuintje. De explosieve evolutie van de textielindustrie in het noorden vroeg echter weldra veel meer werknemers. Een enorme volksverhuizing bracht grote aantallen mannen en vrouwen van het platteland naar de steden, waar ze kwamen werken en wonen.

Deze inwijkelingen zochten hun onderkomen zo ongeveer om het even waar. Ze kwamen terecht in kelders en op zolders, en naarmate hun aantal toenam werden nieuwe investeerders aangetrokken tot deze "markt". Beetje bij beetje werden de tuintjes volgebouwd met woningen. Vooral de uitbaters van de "cabarets", we zouden ze vandaag cafés noemen, waren erg geïnteresseerd, kwestie van hun cliënteel dicht bij de deur te houden. Tegen het midden van de 19de eeuw bestond een courée uit zo’n 20 huisjes, rond één binnenkoer met centraal één toilet en één pomp. Riolen waren er niet, en hygiëne was praktisch onbestaand. Dit gaf onvermijdelijk aanleiding tot epidemies zoals de cholera in 1832. In Rijsel, 1840, rekende men op 8 m² per inwoner in de arme wijken, en daar waren kelders en zolders mee ingerekend.

De gekende Frans-Vlaamse schrijver Maxence Van Der Meersch heeft het erover in zijn boek " Quand les sirènes se taisent, 1933".

"Hier voelde Laure zich op haar best, in de courée. Ze voelde zich herleven. Ze bekeek de binnenkoer, binnenkoer waar ze geboren was, waar ze altijd gewoond had. Twee rijen lage huisjes rechtover elkaar, zes aan iedere kant. Witgekalkt, en onderaan zwart geteerd, leken ze wel eenvormig, alle even vuil, oud en wankel in de ogen van een vreemdeling. Maar Laure had ze altijd gekend, en die gewoonte maakte ze allen verschillend in haar ogen. (…) Een dicht net van ijzerdraad, twee meter boven de grond, vormde dwars over de ganse courée een dicht aaneengesloten deken. Het zaterdagse wasgoed werd er opgehangen, een uithangbord van arme, veelkleurige kledingstukken, wapperend in de wind. Gebogen liep Laure er onder door naar het midden van de courée, richting "gemeenschappelijke voorzieningen". Daar stonden de enige pomp en toilet, bestemd voor alle huurders."

Voeding en gezondheid.

De basisvoeding voor de wevers, en andere minder welstellende bevolkingsgroepen, bestond uit brood, aardappelen en karnemelk. Een citaat uit het werk van Jean-Pierre Cordelier: "750 gram brood per persoon en per dag, dat was het dieet van de arbeiders uit het noorden (van Frankrijk). Het brood is grijs van kleur, twee derden tarwe en één derde rogge. Het witbrood of Frans brood werd beschouwd als een nagerecht voor de grote feestdagen. Komt daarbij 750 gr. aardappelen, bereid in de oven, ofwel als puree of soep. Frieten kwamen pas later aan de orde wegens de hoge prijs van het frituurvet."

Deze armzalige voeding veroorzaakte ook een aanzienlijke sterfte bij de pasgeborenen. De jonge moeders, zelf ondervoed, hadden niet de nodige reserves en tijd om de borst te geven. De baby’s moesten overleven op een dieet van karnemelk. Slechts op zondag was er sprake van vlees op tafel: charcuterie, bouilli,darmen, potjevleesch§ , haring of rolmops. Kandijsuiker, opgehangen in een zakje aan het plafond, vormde een lekkernij waaraan iedereen om beurten kwam "likkebaarden". Zelfs in de gezinnen waar iedereen; vader, moeder en alle kinderen werkten, was 85% van de inkomsten bestemd voor de voeding. Vandaag bedraagt dat 15%. Het ontbijt nam men in de plaatselijke taverne of op het werk zelf. Men dronk "le café du Nord", chicorei dus. Sommige gelukkigen konden nog wat groenten telen om dit eenzijdige dieet aan te vullen. We moeten ons goed realiseren dat dit een tijdperk was waarin de textielcrisissen elkaar snel opvolgden. De arbeiders leefden in wat we zouden kunnen noemen: een leven van laagtes en dieptes. Alcoholisme was wijd verspreid. De weinige vrije tijd die men had werd doorgebracht in de taveernes waar mannen,vrouwen en zelfs kinderen rookten en bier of jenever dronken. Tussen 1812 en 1914 waren er soepbedelingen op de straathoeken. De courées waren echte mierennesten waar niemand ook maar enige privacy had. De tussenmuren van één enkel steentje lieten elk woord en elk geluid door. In deze samenleving was zedeloosheid de regel. Verkrachting van de meisjes tussen de getouwen was "schering en inslag".

In de weverijen waren veiligheidsmaatregelen onbestaand. De schietspoelen, aandrijfriemen zonder afscherming en andere jackarms zaaiden dood en verminking, zeker bij de jonge kinderen die bij gebrek aan rust op die jonge leeftijd niet in staat waren zich te concentreren op de gevaren in hun omgeving.

Van het paternalisme naar het syndicalisme.

Het ontstaan van de "monsterfabrieken" liet een nieuwe samenleving tot stand komen waarin de traditionele familiale steun wegviel. De plattelandsbewoners, die voorheen van geboorte tot overlijden in familieverband leefden, kwamen in de steden terecht waar elk uur aan arbeid gewijd was. Niemand had nog de tijd noch de middelen om zich te bekommeren om ouderen, zieken of zwakkeren. De eerste fabriekseigenaars voelden zich verplicht deze taak op zich te nemen, en dienden zichzelf aan als "goede huisvaders" met de oprichting van paternalistische instellingen zoals de "bergen van barmhartigheid" en andere liefdadige instellingen, geleid door "de dames van de meest respectabele families". Daaruit kwamen de scholen voort, waar de kinderen opgevangen werden gedurende de weinige uren dat ze de fabriek mochten verlaten¨ . Een ander resultaat waren de hospitalen, geleid door religieuzen, zoals "l’Hôpital de la fraternité" in Roubaix. Maar de armlastige wevers, in grote geldnood, verkozen hun kinderen thuis te houden, en ze daar bobijnen te laten wikkelen, in plaats van hen te laten leren lezen en schrijven. De hospitalen beschouwde men als de plaats waar men ging sterven. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw verschijnen de eerste embryonale syndicale bewegingen. Deze werden in den beginne onderdrukt, "manu militari" indien nodig. Het bekendste voorbeeld hiervan is de 1mei dag in Fourmies, die aan de basis ligt van de 1Mei vieringen vandaag. Maar later in deze tweede helft van de eeuw worden de syndicale stromingen alsmaar sterker, socialistische, christelijke en later zelfs communistische. De toevloed van Belgen, zeg maar Vlamingen, op het einde van die eeuw heeft op deze evolutie zeer uiteenlopende effecten. Men hoeft slechts de bevolkingsregisters te raadplegen om te zien hoeveel "Van..." en "Ver…" familienamen hier nog altijd voorkomen, om te beseffen hoe ingrijpend deze immigratie was. Samen met deze volksverhuizing kwamen uit het Gentse de stichters van de socialistische partij naar Roubaix. Edouard Anseele was hun grote leider. De Vlaamse arbeiders daarentegen werden door de grote textielbazen gebruikt om stakingen te breken, en ze waren, door hun taal, makkelijk af te zonderen. In deze liberale atmosfeer, verkoop en werkplaatsen waren een kwestie van vraag en aanbod, gaven de patroons natuurlijk de voorkeur aan deze goedkope werkkrachten boven de gesyndiceerde wevers. Vlaams België, de armste streek van het land toen, kende een overbevolking van platteland, en daarvandaan kwamen de werkkrachten voor de industrieën van Roubaix en Tourcoing. Het waren vooral de zwarte jaren tussen 1844 en 1848 die deze volksverhuizing op gang brachten. Overal in Europa kwamen de wevers in opstand tegen de erbarmelijke toestanden, maar Vlaanderen bleef gewoontegetrouw braafjes onder de knoet liggen. Toen daar bovenop de aardappeloogst mislukte en overal tyfus uitbrak stortte ook daar de weversstiel totaal ineen: "Het enige wat er ons nog te weven blijft is onze eigen lijkwade." Het is dan ook in die jaren dat een massale emigratie start naar Amerika en Frankrijk. (Ook naar Wallonië).

Rond 1880, en tot aan de automatische naturalisatie door de wet van 1889, bestond de helft van de bevolking van Roubaix uit inwijkelingen met de Belgische nationaliteit. Smokkel, vooral van tabak, was meer regel dan uitzondering langs de grens die wel erg doorgankelijk was. Laat ons hier nog even teruggrijpen naar "Quand les sirènes se taissent, 1933" van Maxence Van Der Meersch.

 

"Het anti-Vlaamse racisme vierde hoogtij in de stad : Zij kregen de zwaarste taken, grondwerken, graafwerken en bestratingen; ook de hardste werken vormden hun deel in de fabrieken: stoken, spinnen, laden en lossen…(…). De bevolking van Roubaix hield hen altijd in haar greep; deze luidruchtige hardnekkige bende, traag van spraak, volhardend in hun taken. Men zag hen de grens oversteken op maandagmorgen, treinenvol,beladen met hun broden van drie kilo, eieren, spek en hun fameuze boterpot. Aan die laatste hadden ze hun bijnaam in het plaatselijk dialect te danken: de "pots-à-bure"."

Maar de evolutie naar het syndicalisme toe was onomkeerbaar. Onder invloed van humanistische geesten zoals Victor Hugo, de graaf Alban de Villeneuve (legitimistisch afgevaardigde van Hazebrouck) en zelfs ondernemers zoals Kolb-Bernard in Rijsel, werden nieuwe wetten gestemd. Deze wetten verbeterden stap voor stap de levensomstandigheden en de werkomgeving van de wevers en andere textielarbeiders. Tegen de eeuwwisseling ziet men her en der reeds socialistische en communistische burgemeesters. In Roubaix zelf is het burgemeester Jean Lebas die een ware sociale revolutie tot stand brengt. Hij begint onder andere met de bouw van goedkope woningen die de courées moeten vervangen. Tussen de twee wereldoorlogen gaat het syndicalisme, tussen vele textielcrisissen door, gestaag vooruit, en samen met deze ontwikkelingen genieten de arbeiders van alsmaar betere omstandigheden.

Een nieuwe industriële crisis en de teloorgang van de textiel.

Tot in de jaren 1960 werd er uitsluitend met schietspoelgetouwen gewerkt. Het is ingenieur Dewas (Amiens 1951) die een schietspoelloos getouw ontwerpt en er patent op neemt. Dit getouw laat toe om sneller te werken, en met minder tussenstops. Dit veroorzaakte uiteraard het verlies van ettelijke werkposten, maar het is tenslotte, nog later, de komst van de computer die de wevers de das zal omdoen. Het aantal inslagen per minuut, voor jacquardgetouwen, stijgt van 30/min. in 1900 tot 850/min. in 2004. Deze evolutie wordt perfect geïllustreerd in de "Manufacture des Flandres", het jacquardmuseum in Roubaix, waar aan de hand van een vijftiental getouwen, daterend van de elfde eeuw tot op heden, deze geschiedenis dagelijks gedemonstreerd wordt. Ieder getouw wordt tijdens elk bezoek uitgebreid beschreven, en ieder getouw wordt telkens aan het werk gezet.

We zijn jammer genoeg genoodzaakt vast te stellen dat deze textielindustrie, ooit de parel aan de kroon van deze regio, het opnieuw zwaar te verduren krijgt. Maar deze sector behoort onverbrekelijk tot het erfgoed van deze streek en verdient ongetwijfeld de inspanningen van onze steden om dit patrimonium te bewaren en door te geven aan de komende generaties.

 

 

Geschiedenis van de tapijtweefkunst.

Het ontstaan van de eerste wand- en vloertapijten gaat natuurlijk schuil in de mist van de niet schriftelijk vastgelegde geschiedenis. De grondstoffen alleen al waaruit ze zijn opgebouwd zijn niet dermate tegen de tand des tijds bestand, dat we prehistorische vondsten kunnen verwachten. En toch werd in 1947 onder het ijs in een grot nabij Pazyryk (Turkije) een nagenoeg intact tapijt gevonden. Wetenschappelijk onderzoek kwam uit op een datum 5 eeuwen voor Christus. Het tapijt meet 2.00m op 1.82m, en is handgeknoopt met 36 knopen per cm². De kwaliteit van dit tapijt en van de tekening wijst op een toen reeds oude traditie qua weven. In Oudgriekse geschriften vinden we reeds vermeldingen van de tapijten in Babylon en Perzië. Arrianus in zijn boeken vermeldt dat het graf van Cyrus vele weefsels bevatte, waaronder een pak tapijten. Een andere belangrijke verwijzing spreekt over het "Wintertapijt", ook wel "De lente van Chosroes" genoemd, dat in de grote audiëntiehall van het paleis in Ctesiphon lag. Het zou versierd geweest zijn met parels en edelstenen. Deze vermeldingen verwijzen dus zeker naar minstens de 7de eeuw voor Christus.

Handgeknoopte tapijten.

Deze manier van tapijtvervaardiging, het knopen dus, is dan ook vrijwel zeker in de streek in en rond mesopotamië ontstaan, en meer dan waarschijnlijk bij nomadische volkeren. Ze bieden alles wat hun levensstijl vereist en zijn gemakkelijk in te pakken en te vervoeren. De grondstoffen vinden ze volop in hun omgeving: wol en planten voor de garens, planten en insecten voor de kleurstoffen. De getouwen waren te herleiden tot enkele evenwijdige stokken. Van daar uit zwermde deze kunst uit naar het westen tot in Turkije en Marokko , naar het oosten tot in India en China.

De structuur van een handgeknoopt getouw omvat 4 elementen: schering en inslag, knoop en haar. De schering omvat de lengterichtingdraden van het dragende weefsel, de inslag zijn de dwarsdraden. Op deze gronddraden wordt de beharing aangebracht bij middel van een knooptechniek. In de kronieken leest men over aantallen tot 400 knopen per cm². In 1907 werden in een miniatuurkopie van een zijden Ispahan-tapijt door de wevers van Lahore zelfs nog 20 maal meer knopen gelegd per cm².

Wol was voor deze tapijten het hoofdbestanddeel. Daarnaast gebruikte men ook veel katoen en , vanuit China, zijde. Wol geeft een duurzaam product, warm en veerkrachtig. Katoen is sterker, bewaart beter zijn vorm, en wordt dus vooral gebruikt voor schering en inslag. De dure zijde komt minder voor, maar wordt toch af en toe gebruikt om zijn luxe en glans.

De patronen zijn meestal gestileerde planten en bladeren, mozaïeken, medaillons en andere arabesken.

Heden ten dage wordt in de streken van oorsprong nog altijd volgens dezelfde techniek gewerkt. Koploper qua productie is Pakistan.

Geweven tapijten.

De geknoopte tapijten hebben weliswaar ook een geweven basis, maar de tekening en de kleur worden door de haartjes gevormd. Bij de geweven tapijten zijn het echter schering en inslag zelf die tekening en kleur geven aan het tapijt. Deze vorm van tapijtweven is ook meer geschikt voor wandtapijten dan voor vloertapijten.

De geweven tapijten zijn, zeker in West-Europa, veel later ontstaan. Pas vroeg in de 14de eeuw vinden we de eerste geschreven gegevens betreffende de verschillende weversgilden. Maar de kwaliteit is ook hier onmiddellijk zo hoog, dat er ontegensprekelijk een aanzienlijke ervaring vooraf gaat aan de eerste vermeldingen. Voor de eerste echte tapijtindustrie in "hautte lisse" en "basse lisse" zijn er geen echt vroege getuigenissen voor het ontstaan van de beeldende tapijtkunst, maar vast staat dat reeds lang ervoor op beide soorten getouwen eenvoudige bindingen geweven werden. Hoogstwaarschijnlijk zijn het de kruisvaarders die in de 11de eeuw in het oosten kennis maakten met handgeknoopte tapijten en deze ook meebrachten, die aan de bron van het tapijtweven zonder knopen liggen. Vanaf dan gebruikte men de Europese weeftechnieken om een gelijkaardig resultaat te bereiken.

In West-Europa zijn het hoofdzakelijk de Graven van Vlaanderen en de Hertogen van Bourgogne die in de 14de en 15de eeuw de aanzet geven tot de industrie en handel in wandtapijten. Steden als Brugge, Brussel, Edingen, Oudenaarde en Doornik en ik vergeet er nogal wat, worden hofleverancier bij o.a. Maximiliaan de Grote en andere hoogwaardigheidsbekleders. Deze welstellende burgers en machthebbers waren voor hun tijd uiterst mobiel, en namen bij elke verplaatsing hun indrukwekkende statussymbolen met zich mee. Op deze wijze verspreide de tapijtweefkunst zich doorheen Europa. Een interessante anekdote in dit verband is de ontstaansgeschiedenis van de "Gobelin". In de 15de eeuw kwamen de Hertogen van Bourgogne ook wel eens langs bij de koning van Frankrijk, en bij die gelegenheden lieten ze zeker niet na uitgebreid te pronken met hun o.a. Oudenaardse wandtapijten. Na één van die bezoeken was koning Henri IV van Frankrijk dermate onder de indruk dat hij stante pede een gezant naar Oudenaarde zond om daar enkele tapijtwevers weg te halen.Twee van hen, waaronder één genaamd "Coeman", gingen op het voorstel in, maar waren korte tijd later terug thuis, daar de kwaliteit van het bier in Parijs te wensen over liet. Henri aarzelde niet en zond zijn gezant terug naar Oudenaarde. De opdracht luidde ditmaal: bestudeer die brouwerij, en bouw een kopie ervan in Parijs. Zo geschiedde, en met dit argument slaagde de gezant erin om Coeman en zijn kompaan terug naar Parijs te lokken. Ditmaal bleven ze er, en zo ontstonden de ateliers die later Gobelin genoemd werden.

De tapijten werden in die periode handmatig geweven. De wever voerde lijn na lijn de benodigde inslagkleur door zijn kettingdraden om de tekening te realiseren. Bij de "hautte lisse" techniek waren de kettingdraden op een verticaal raam gespannen. Bij de "basse lisse" lagen de kettingdraden horizontaal. Iedere weversgemeenschap had zijn eigen specialiteit. In Brugge bijvoorbeeld werd hoofdzakelijk "hautte lisse" geweven. Brussel legde zich toe op "basse lisse". Het verschil tussen de beide technieken is een veel gestelde vraag, maar heeft uitsluitend een historische waarde, aangezien aan het afgewerkte stuk geen verschil te bemerken valt. Ieder systeem komt erop neer dat de wever een tekening of schilderij kopieert met de kleuren van zijn garens. Bij "basse lisse" ligt dit onder de kettingdraden, en aangezien bij deze techniek de goede kant van het tapijt onderaan ligt, bekomt men een spiegelbeeld van het ontwerp. Bij "hautte lisse" daarentegen hangt het ontwerp achter de wever, en kijkt die door zijn kettingdraden heen naar een spiegel waarin het ontwerp weerkaatst wordt. Hier ook komt de goede kant van het tapijt van de wever weg te voorschijn, maar aangezien hij naar een spiegelbeeld kijkt is het tapijt identiek aan het ontwerp. Dus enkel als men het oorspronkelijk ontwerp terugvindt, kan men met zekerheid stellen welke techniek toegepast werd.

Het spreekt voor zich dat beide technieken enorm tijdrovend waren. Men zal dan ook vanaf einde 17de eeuw op zoek gaan naar vormen van automatisering. Bij vooral de "basse lisse" gebruikte met voor kleinere ontwerpen wel eens getouwen met pedalen. Deze pedalen waren vooral handig, daar waar grotere vlakken in dezelfde kleur voorkwamen. Ze gaven de ketting meestal een gaap zoals bij vlakbinding.

 

 

Geleidelijke evolutie naar automatisering.

 

Reeds in 1470 zien we het eerste getouw waarin de kettingdraden via arcaden geheven worden. Het getouw van Jean Le Calabrais kwam Frankrijk binnen in 1470 in Tours, iets later in Lyon. Dit Italiaans ontwerp werd bediend met knoppen en houten hefbomen. Het was enkel geschikt voor smalle weefsels.

In 1620 bouwde Claude Dangon, een zijdewever, in Lyon een gelijkaardig getouw met 2400 arcaden in plaats van de 800 van Le Calabrais. Dit getouw zal in Lyon in gebruik blijven tot 1775.

In 1687 komt er bij het getouw van Galantier en Blache een tweede arbeider. De sempeltouwen worden niet langer door de wever bediend, maar door de sempeljongen. Ze bevinden zich nu voor het eerst op de zijkant van het getouw. De wever moet alleen nog de pedalen bedienen en de "schietspoel" door de gaap voeren.

Het is Basile Bouchon die in 1725 voor het eerst met geperforeerde kaarten werkt. Dit systeem laat toe om meerdere exemplaren van dezelfde tekening te weven zonder dat de sempeljongen telkens opnieuw ieder inslag moet "lezen". De kaarten worden nu aangeboden door de assistent. Dit systeem zal via aanpassingen van Falcon leiden tot het ontstaan van de jacquardgetouwen.

Rond 1728 onderneemt Falcon de aanpassing en verbetering van Bouchon’s getouw. Hij gebruikt meerdere rijen naalden en rechthoekige kaarten zodat bredere stukken kunnen geweven worden.

In 1744 vindt Vaucanson, de befaamde automatenbouwer, voor het eerst een systeem dat de assistent overbodig maakt. Een achteruitgang waswel het feit dat hij de eindeloze rijen kaarten verving door een trommel met tandjes boven op het getouw.

Bij het getouw van Ponson, 1775, kon men twee verschillende patronen weven, enkel door het bedienen van twee touwen, zonder dat de wever zijn zitplaats moest verlaten.

In hetzelfde jaar 1775 stelde Philippe de Lasalle zijn getouw "à la grande tire" voor. Hier komt er wel weer een assistent bij te pas, maar de breedte van het weefsel neemt fel toe.

In 1798 tenslotte zien we het getouw van Verzier. Dit getouw met "ligatures" is één van de laatste uitvindingen voor het Jacquardmechaniek dat de industrie zal inpalmen en totaal van gezicht doen veranderen.

Jacquardgetouwen.

 

Een precieze datum voor de lancering van het jacquardgetouw is niet bekend. Van Jacquard vinden we twee patenten terug:

23/12/1801 : machine om de sempeljongen te vervangen bij getouwen voor het vervaardigen van stoffen "brochées et façonnées".

13/12/1805 : getouw om visnetten te weven.

Dit zijn officiële gegevens uit het appendix bij het werk van D. De Prat : Traité de Tissage au Jacquard uit 1921.

Toch spreken de gegevens uit deze periode dit tegen. Het is onwaarschijnlijk dat deze getouwen in die periode reeds gebruikt werden. Pas naar het einde van dit decennium komt de machine in Lyon in zwang. Al te vaak wordt vergeten de namen te vernoemen van de mensen die de machine verbeterden tot ze effectief bruikbaar was: Breton & Sckola. Op een andere plaats in dit werkje gaan we iets dieper in op het leven en werk van Jacquard.

Vast staat in ieder geval dat dit getouw, 70 jaar na de uitvinding van de schietspoel door John Kay, de meest opvallende vernieuwing is in de geschiedenis van het weven. Het zal de aanleiding zijn tot de ontwikkeling van de industriële weverijen die tijdens de industriële revolutie explosief zullen evolueren.

Jacquard combineert de geperforeerde kaarten van Bouchon en het assistent-vervangende systeem van Vaucanson, en slaagt erin, met de hulp van bovenvernoemde Scola & Breton, er een efficiënt werkend systeem van te maken.

In het jacquardgetouw worden de kettingdraden door een oog in een met lood verzwaarde hevel gevoerd. Deze hevel hangt aan een arcade die op haar beurt aan een haak is bevestigd. Iedere haak is bevestigd aan een horizontale naald. Haken en naalden bevinden zich in meerdere rijen bevestigd in het jacquardmechaniek. Daar worden de kaarten door een bewegende cilinder om beurten tegen de naalden aangedrukt. Waar het karton geperforeerd is, gaan de naalden de perforatie binnen en bewegen de naalden niet, een volle plaats in het karton drukt de naald achteruit. Bij de daaropvolgende beweging van het hefmechanisme zullen enkel de haken geheven worden waarvan de naald een perforatie vond. Op deze manier beslist het karton voor elke slag welke kettingdraden geheven worden. De eerste mechanieken droegen zo’n 104 haken: 4 rijen van 26. Later werd dit aantal opgedreven, en getouwen zoals het Nuyts-getouw (Roubaix) in de jaren 1860 waren bekroond met meerdere mechanieken. Vanaf Jacquard zijn alle vernieuwingen "variaties op één thema". De mechanieken werden verfijnder gebouwd, het aantal naalden werd verhoogd, de kaarten werden hoe langer hoe kleiner en lichter, om tenslotte over te gaan op computerkaarten. Bij dit laatste systeem worden de haken niet langer door kaarten bewogen, maar door elektromagneten. Het jacquardsysteem was er niet minder binair om. Het is en blijft een systeem met haken, arcaden, hevels en kettingdraden. Dit systeem wordt van naaldje tot draadje uiteengezet tijdens de bezoeken in de "Manufacture des Flandres", het actieve Jacquardmuseum bij uitstek.

Jacquard, leven, werken en de legende.

 

De levensloop van Joseph Marie Jacquard is door tijdsgenoten uitvoerig beschreven. Over zijn werk en de legende "Jacquard" daarentegen doen de meest verschillende opinies de ronde, maar daar komen we verder op terug. Laat ons eerst een beknopte biografie voorstellen.

Zijn leven.

Hij is geboren op 7 juli 1752 in Lyon. Zijn vader, Jean-Charles, was meestergast in een weverij van gefaconneerde stoffen in zijde, gouddraad en zilverdraad. Zijn moeder, Antoinette Rive, werkte als lezer voor dezelfde stoffen. Vader Jacquard zag in Joseph Marie zijn opvolger, en besteedde dus geen aandacht aan het geven van een andere opleiding. Op tienjarige leeftijd verliest hij zijn moeder, en gaat bij zijn vader aan de slag als sempeljongen. Deze taak gaat zijn frêle krachten te boven, en hij gaat thuis weg om bij een verwante, Mr. Barret, aan de slag te gaan als leerling boekbinderdrukker. Nog iets later gaat hij aan de slag als lettergieter bij Mr. Saulnier, waar hij enkele werktuigen ontwerpt die de taken vereenvoudigen. Ook voor een messenmaker bouwt hij een machine die de werktijd aanzienlijk verkort. Als Jacquard 20 jaar is verliest hij ook zijn vader. Van deze erft hij, en met dat geld start hij een weverij op van gefaconneerde stoffen. Hij werft enkele arbeiders aan. In 1778 huwt hij Claudine Boichon, van een familie die de reputatie heeft welstellend te zijn. De beloofde bruidschat wordt echter nooit uitbetaald, en de commercieel onervaren Jacquard gaat tenslotte failliet. Zijn echtgenote, die in hem blijft geloven, verkoopt haar huis, getouwen en juwelen om zijn experimenten te kunnen financieren. Maar alles gaat verloren, en Jacquard ziet zich tenslotte verplicht om als arbeider te gaan werken in een kalkfabriek in Bugey. Zijn vrouw gaat aan de slag als arbeidster in een strohoedenfabriek. In die tijd begint de Franse Revolutie. Lyon, dat grotendeels leeft van de zijden stoffen met gouddraad, ziet met lede ogen de verdwijning van adel en rijke geestelijkheid aan, en gaat in het verzet. De royalistische strijd van Précy en Virieu brengt 20.000 man op de been, en bevecht het republikeins leger van Kellerman. Jacquard neemt deel aan deze strijd aan de royalistische kant als onderofficier, samen met zijn vijftienjarige zoon. Na een beleg van 50 dagen, moet Lyon het onderspit delven. De overwinnaars beslissen dat Lyon verwoest moet worden en dat op die plaats een zuil zal opgericht worden met als opschrift: "Lyon fit la guerre à la Liberté, Lyon fut détruit." De rol die Jacquard gespeeld had in deze strijd brengt zijn leven in gevaar, maar zijn zoon laat zich, en zijn vader, inschrijven op de militaire lijsten, en samen trekken ze op naar Toulon. Achter zich laten ze een Lyon na, onder een rookwolk die niet door de industrie veroorzaakt is. Na Toulon worden ze naar de Rijnstreek gestuurd. In Heidelberg (oktober 1795) wordt zijn zoon getroffen door een Oostenrijkse kogel en sterft in de armen van zijn vader. Na afloop van deze campagne komt Jacquard terug in Lyon. Hij treft er zijn vrouw aan op een mansarde. Lamartine schrijft hierover: " de twee gehuwden beweenden hun kind, hun jeugd, hun fortuin en hun hoop". De stad Lyon komt zwaar aangeslagen uit de strijd. Amper 95.000 van de oorspronkelijk 145.000 inwoners blijven over. Beetje bij beetje kwamen de vluchtelingen terug, en Lyon begon te herleven. Joseph Marie Jacquard bleef bezig met zijn idee om de sempeljongen te vervangen door een mechaniek. In September 1801 dient hij een machinemodel in, dat hij "la tireuse de lacs" noemt. Hij wint een bronzen medaille. Dit getouw was nog mijlenver verwijderd van wat Jacquard wilde, maar de sempeljongen was toch al "uit de weg geruimd". Deze uitvinding gaf hem toch genoeg naambekendheid om door het stadsbestuur een woning toegekend te worden, waar hij, kosteloos, les kon geven aan jonge arbeiders. Zijn uitvinding was hij zo een beetje uit het oog verloren tot Londen een prijs uitschreef: 1 miljoen voor de uitvinder die een machine kon ontwerpen om visnetten te weven. Een variant op zijn eerste getouw voldeed niet aan de eisen die Jacquard zichzelf stelde, maar een vriend van hem die het ontwerp aantrof in een verloren hoek van het atelier, bracht de prefectuur op de hoogte. Via-via kwam tenslotte ook Bonaparte op de hoogte. Hij nodigde Jacquard uit naar Parijs. Deze was echter maar matig geïnteresseerd wegens de kosten van de reis, en dat alles om wat hij noemde "een pak koorden" te demonstreren. Tenslotte werd hij onder politiebegeleiding naar Parijs gebracht. Op 2 februari 1804 krijgt hij de gouden medaille. Daar ziet hij voor het eerst de overblijfselen van het getouw van Vaucanson. Dit moment noemt hij zelf het mooiste van zijn leven. Vanaf dan concentreert hij zich op de werking van de naalden en de cilinder. In 1804 komt hij terug in Lyon. Samen met zijn vrouw vindt hij logies in l’hospice de l’antiquaille. Vanaf 27 oktober 1806 wordt hem een pensioen toegekend van 3.000 frank. Als tegenprestatie dient hij al zijn machines en uitvindingen over te dragen aan de stad. Napoleon zou bij het tekenen van het contract gezegd hebben:"die is rap content". Later gaat Jacquard na een kort verblijf in palais Saint-Pierre, wonen in een uitgesproken goedkope buurt. In 1807 vinden we de vermelding dat hij een médaille krijgt voor "een nieuw mechaniek dat de hervorming van het weven bevordert". Hij komt terug in Parijs, en wint de grote prijs van de "Société d’encouragement pour l’industrie nationale". In 1808 is hij opnieuw in Lyon. Daar zet hij samen met enkele ondernemers een bedrijf op, maar zijn associés trekken zich vlug terug, en zijn getouw wordt verzegeld. Iemand anders laat het brevetteren, en Jacquard verliest alle rechten.

Tot dan toe gebruikte men in Lyon 3 soorten weefgetouwen voor het maken van gefaconneerde stoffen. Elk van deze drie vereiste twee arbeiders; de wever en de sempeljongen, soms zelfs twee sempeljongens.

Het eerste getouw van Jacquard, dat door één arbeider bediend wordt, wordt in gebruik genomen, begin februari 1806 in het atelier Imbert, quai de Retz 45, onder de directie van Mr. Grand. Naar een suggestie van een wever, Arnaud, worden de haken uitgerust met elastieken. Een andere arbeider-mechanieker,Bréton, brengt hem het idee aan om de cilindertransporteur te vervangen door een beweegbare pers met metalen veren. Jacquard nam voor deze uitvinding geen brevet, want hij oordeelde dat de ganse bevolking zijn voordeel mocht doen met dit ontwerp. Maar dan komt een onvoorzien probleem roet in het eten gooien: de arbeiders zelf gaan in opstand. Zijn getouw wordt omschreven als onbetrouwbaar en onbruikbaar. Door onachtzaamheid veroorzaakte slechte weefsels werden zelfs gebruikt om Jacquard voor de rechter te brengen. Eens te meer stak de vrees voor verlies van werkplaatsen de kop op. Zijn getouw werd kapotgemaakt en op straat in brand gestoken. Jacquard zelf werd bedreigd; men was van plan hem in de Rhône te gooien. Over deze periode vertelde de bejaarde Jacquard graag de volgende anekdote.

"Op een dag ging ik touwen aankopen, en de koopman deed zijn beklag over de verminderde verkoop. Ik vroeg naar zijn beweegredenen."

"Ach mijnheer, het is dat vervloekte Jacquardgetouw. Hij heeft alles vereenvoudigd, hij heeft het brood gestolen van de eenvoudige werkman. Is het geen schande dat men deze monsterlijke uitvindingen aanmoedigt, ze pakken het werk af van de eerlijke arbeider. Als iemand mij het touw zou vragen om hem op te hangen, zou ik het volgaarne geven."

"Alles wat je in je winkel hebt?"

"Ah neen, maar wel genoeg om hem te hangen."

"Ken je Jacquard eigenlijk wel?"

"Ik wil hem zelfs niet kennen. Het is een slechte burger, want slechts een slechte burger kan de ondergang willen van het volk."

"Men heeft hem bij u in een slecht daglicht gesteld. Wat zou je ervan denken als hij u uitlegde dat zijn getouw het belang van de werkende bevolking dient?"

"Dat zou ik wel eens willen horen van die oplichter!"

"Luister dan goed; ik ben Jacquard."

De koordenmaker putte zich uit in verontschuldigingen.

"Het is mijn vrouw die me iedere dag die verhaaltjes vertelt."

Pas in 1809 slaagt Mr. Grand erin het getouw te laten aanvaarden door de arbeiders. Ondertussen verloor Jacquard zijn trouwe echtgenote die hem door dik en dun had gesteund. Tegen 1812 verdwenen alle vooroordelen tegen zijn getouw, en werkten in Lyon alleen al 18000 jacquardgetouwen.

Deze gegevens en datums blijken echter niet te kloppen wanneer men ze vergelijkt met de gemeentelijke archieven van Lyon zeggen over deze periode bij de zijdewevers. De bevolkingsregisters van Lyon tussen 1808 en 1812 leren ons het volgende:

"Na het bezoek van Napoleon I aan Lyon, verscheen een keizerlijk decreet dat aan Jacquard een premie van 50 franc toekende voor elk getouw, uitgerust met zijn mechaniek, en dat gedurende zes jaar. In 1806 worden twee lijsten ingezonden bij het ministerie van binnenlandse zaken voor een totaal van 41 mechanieken en, in 1811, een lijst van 16 mechanieken. Alle wevers echter, die eigenaar zijn van een Jacquard mechaniek komen zonder uitzondering terug naar de getouwen "à la grande tire", die hun betrouwbaarheid bewezen hebben. De wevers werven opnieuw sempeljongens of meisjes aan. Hieruit blijkt dat het Jacquardmechaniek niet operationeel was. Men moet wachten op de verbeteringen, aangebracht door de Jean-Antoine Breton, afkomstig uit de Ardèche, die in 1817 een op het Jacquardmechaniek gebaseerd systeem uitvindt. De naam Jacquard blijft echter met het getouw verbonden.

De weefsels met eenvoudige tekeningen worden ondertussen verder op Verzier, Brun en Crétingetouwen geweven. Voor het grotere werk blijft men zich van de "grande tire" en de "petite tire" bedienen. Verder waren er ook nog de Falconne-getouwen waarop kaarten aangedrukt werden door een assistent."biblio

Jacquard trekt zich terug in Oullins, langs de boorden van Rhône, terwijl de naar hem genoemde getouwen de wereld veroveren, Parijs, Rouen, Manchester en Birmingham. Van overal ter wereld komen staatsmannen en geleerden hem opzoeken, maar hij blijft de bescheidenheid zelve. Fier droeg hij zijn lintje van "La légion d’honneur."

Jacquard sterft op 7 Augustus 1834 om 01h00. Hij rust op het kerkhof van Oullins in de schaduw van een moerbeiboom. De toespraak bij zijn begrafenis eindigde met de woorden: "Hij was geen geleerde, maar hij droeg het genie in zich."

Zijn werken.

 

De grote verdienste van Jacquard is de verbetenheid en het genie waarmee hij zijn doelstelling; het automatiseren van gefaconeerde stoffen weven, bleef nastreven. Hij bestudeerde hardnekkig alle vroegere pogingen in die richting en realiseerde zich dat verschillende onderdelen van deze getouwen konden bijdragen tot een nieuw ontwerp waar de voordelen van de diverse getouwen, samen, de oplossing konden bieden. Zelf had hij echter noch de opleiding genoten, noch de nodige technische bekwaamheid om dit zelf te realiseren. Zijn aandeel in dit alles kunnen we misschien een "trechterfunctie" noemen. Hij bracht alle oplossingen uit de vorige eeuw samen, en had een visie waarin dit alles moest gecombineerd worden en bleef onverdroten pogingen hiertoe ondernemen. Hij was de grote aanbrenger, voor de technische uitvoering evenwel had hij technici zoals Breton en Arnaud nodig.

 

 

 

 

De legende.

 

De naam Jacquard is duidelijk de geschiedenis ingegaan en is van een eigennaam veranderd in een begrip. Dit is te danken aan verschillende factoren.

Eerst en vooral zijn er de bemoeiingen van Napoleon, die hem scherp in het daglicht stelden. Denk maar aan de levenslange rente die hem door de keizer toegekend werd en de "gedwongen" overbrenging naar Parijs om er zijn getouw voor te stellen.

Misschien hebben de, al dan niet terecht door de wevers aangevoerde, gebreken van zijn eerste getouwen meegewerkt aan zijn naambekendheid. De opstand van de mistevreden wevers, waarbij ze zijn ontwerp op straat in brand staken, en hem zelf lijfelijk bedreigden,is natuurlijk niet onopgemerkt voorbijgegaan.

Komt daarbij nog de lyrische manier waarop de romanticus Lamartine zijn held ophemelde in zijn odes.

En toch was deze man uiterst gesloten, bescheiden en zelfs ietwat wereldvreemd.

Deze en andere redenen maakte een legende van de man waarvan een tijdgenoot ooit zei : "Hij is een machine die een machine uitvond".

 

 

Petite histoire

De rellen waarbij de canuts de jacquardgetouwen vernielden (tussen 1804 en 1806) mogen niet verward worden met "la révolution des canuts", waarbij de zijdewevers van Lyon opkwamen tegen een loonvermindering. Deze laatste greep plaats in 1831 en 1834.

Het woord "sabotage" zou afkomstig zijn uit deze eerste rellen van les canuts waarbij ze hun klompen (sabots in het Frans) in de getouwen wierpen om deze zo buiten werking te stellen.

Het woord "canut", dialect van Lyon voor wever, stamt uit de periode van de franse revolutie. De zijdewevers verloren hun rijke cliënteel; adel en clerus, en liepen dus door de straten van Lyon met lege spoelen: les cannes nues.

De eerste stoomaangedreven getouwen dateren van 1789, en werkten in Doncaster (Engeland). Zij waren een uitvinding van Edmund Cartwright (°1743), die zich bediende van de stoommachines van James Watt en Matthew Boulton. Hier treffen we ook een treffende gelijkenis aan met wat Jacquard overkwam: in 1799 brandde zijn bedrijf af, brand waarschijnlijk veroorzaakt door werknemers die bang waren hun werk te verliezen. Ook Edmund Cartwright was geen goed zakenman, en ook hij ging bankroet met zijn weverij.

 

 

 

 

 

Het linnen in Vlaanderen tussen 1840 en 1850.

 

Vlas en linnen in Vlaanderen.

West-Vlaanderen vooral was de streek van het vlas. Er zijn bewijzen dat het vlas hier reeds aangetroffen werd eeuwen voor onze tijdrekening. De vlasindustrie verenigde oorspronkelijk landbouw en industrie onder één dak, zelfs tot in de eerste helft van de 19de eeuw toen in Parijs, Gent en Brussel mechanische spinnerijen opdoken.

1840: boer Lampaert van Tielt zaait zijn vlas halverwege April, begin Mei. Bij het opgroeien wordt er gewied. 4 wiedsters wieden 100 roeden in 4 dagen. Na ongeveer 3 maanden wordt het vlas gesleten, gedroogd en opgestapeld in schuur of vlasmijt. Halfweg Augustus wordt het geboot. Dan wordt het gebundeld en opgeslagen tot het volgend seizoen. De volgende stappen zijn het roten, drogen, bleken, brakelen, zwingelen en hekelen. Vanaf dan volgt spinnen en weven. Een spinster spon zo’n 4.000 à 5.000 meter per dag van 14 uur. Een wever weefde 5 ellen per dag. Deze lengte staat voor weven zonder schietspoel. Om een idee te krijgen van het belang van het vlas voor deze streek volstaat het dit tabelletje door te lezen.

1840

Arrondissement Tielt

Arr. Roeselare

Bevolking

74.606

88.365

Beroepsbevolking

44.764

53.019

Wevers

6.980

4.969

Spinsters

23.782

20.715

Vlaswerkers/inwoner

1 op 1.4

1 op 2.1

 

Deze arbeiders leefden reeds lang op de rand van de armoede, en ook hier moest elk gezinslid meewerken in het thuiswerk en op het land.

 

Het rampzalige decennium.

 

De Belgische Revolutie was de voorbode van een rampzalige tijd voor de linnenarbeiders. De uitvoer naar Nederland ging natuurlijk totaal de mist in. Export naar Frankrijk daalt van 3,2 miljoen kg. naar 2,8 miljoen kilo op 2 jaar. De uitvoer naar Engeland van ruw vlas groeit exponentieel: ¾ van de productie verdwijnt over het Kanaal waar reeds massaal mechanisch gesponnen wordt. Ook bij ons gaat men vanaf 1840 met mechanisch gesponnen garen weven.

3 Arbeiders op een Mule Jenny vervangen 60 spinsters. De wevers die hier nog zelf hun vlas aankopen en linnen weven werken met verlies. En de grote rampspoed moet dan nog aanvangen.

Juli 1845 : De mislukte aardappeloogst. De opbrengst van dat jaar volstaat nauwelijks voor het plantgoed voor 1846.

1846 : De rogge wordt aangetast door korenbrand: "de roste kanker". 2/3 van de oogst gaat verloren.

Aardappels worden onbetaalbaar en de broodprijs schiet als een pijl in de hoogte, en dat terwijl precies die twee producten het basisvoedsel, zeg maar bijna enige voedsel, voor de linnenarbeiders uitmaakten.

1847 : De hongersnood bereikt zijn eerste hoogtepunt. Hij wordt bekend als "de Vlaamse ziekte". Soep- en broodbedelingen worden georganiseerd, maar de armen gaan ’s nachts de velden plunderen waar aardappels en rapen groeien. In Tielt en omgeving worden op politiebevel burgerwachten opgericht om die velden te bewaken. Uitgehongerde bedelaars trekken als georganiseerde bendes door het land. Op 6 Mei bereiken ze Antwerpen. Ze worden in konvooien van 300 à 400 man naar hun dorpen teruggestuurd. Velen plegen opvallende misdaden om in de gevangenis onderdak en voedsel te vinden. Wekelijks worden in elke gemeente doden gemeld.

26 April : Dentergem : reeds 89 doden. 5 stierven terwijl ze bedelden aan de deur.

Ter illustratie deze gebeurtenis te Dentergem op Aswoensdag 17 Februari 1847:

Op de hoeve van Pieter Vandecasteele was ’s avonds brand ontstaan. 10 Koeien, 2 paarden en 2 varkens kwamen in de vlammen om. De gloed ervan trok de aandacht van benden bedelaars en andere uitgehongerde omwoners, en die kwamen er massaal op af. Ze verslonden terplekke de halfgeroosterde kadavers. De pastoor van Dentergem maakte er hen echter wel op attent dat niemand het recht had om vlees te eten op Aswoensdag. Zijn argumenten maakten niet veel indruk.

Tussen 1846 en 1848 woedde dan een tyfusepidemie. Gedurende de vijf eerste maanden van 1848 stierven in Meulebeke alleen al 232 personen. In twee jaar tijd waren dat er 1.050 of 10% van de bevolking. De levensverwachting van borelingen bedroeg gemiddeld 1,4 jaar.

"Weldra waren er onvoldoende draagberries om de overledenen naar de kerkpoort te dragen, en nam men zijn toevlucht tot ladders. Toen men, door de angst voor besmetting, ook voor deze ladders geen dragers meer vond, zag men vrouwen het lijk van hun man naar de kerk voeren op een kruiwagen, door een achtjarig jongentje voortgetrokken met een touw."

In 1847 dan ook nog de zwarte pokken. 2.623 personen aangetast, slechts 37 ervan overlijden.

Maart 1849 : de cholera slaat toe in West-Vlaanderen. 1.434 dodelijke slachtoffers.

 

De hulpacties.

 

Zowel van staatswege als door privé-initiatieven probeerde men de schade in te dijken. Vooral de clerus ondernam allerhande, en deed beroep op iedereen die nog enigszins kon bijdragen om de armoede te lenigen. Er werden broodbedelingen georganiseerd en armenhuizen opgericht. Die hadden echter ook niet de nodige fondsen ter beschikking, en dit gaf aanleiding tot mensonterende feiten. De overbezette armenhuizen hielden ieder jaar op Sint-Jans-dag een vorm van uitverkoop van hun bewoners. Tijdens een soort van slavenmarkt werden deze, tegen kost en inwoon, uitbesteed als huishulp of landarbeider aan de meestbiedende.

De 183 dokters, 135 heelmeesters, 198 vroedvrouwen en 68 apothekers van West-Vlaanderen deden op hun beurt het onmogelijke om de grootste nood te lenigen. Velen onder hen werden zelf besmet en overleefden het niet.

Van staatswege kwam de hulp ook maar mondjesmaat aan. De liberaalgetinte leiding van het land hield echter te lang en te veel rekening met de overtuiging dat de industrialisatie gestopt moest worden. Ze bleven zweren bij het onverkoopbare thuisgesponnen garen en blokkeerden op die manier de evolutie die in het noorden van Frankrijk wel doorgang vond.

 

De emigraties.

In deze mensonwaardige omstandigheden leek emigratie vaak de enige oplossing. Velen weken uit naar Amerika.

Van overheidswege werd een poging gedaan om velen te werk te stellen. Spoorwegen werden aangelegd en stations gebouwd. Het ontwerp "Maertens" voorzag in 1844 een verbinding van Tielt met Brugge, over Meulebeke, Ingelmunster en Roeselare. Brugge-Roeselare was klaar op 3 Maart 1846. 170 Arbeiders waren er aan de slag.

Het grootst opgezette plan was toch wel om 500 Vlamingen het kanaal bij Luik te laten graven. Onder enorme belangstelling startte de trein uit Kortrijk op 17 Maart. Maar reeds bij de eerste uitbetalingdag kwam er een kink in de kabel. De arbeiders ontvingen slechts de helft van wat zo min of meer afgesproken was. Einde Maart startte de terugtocht naar Vlaanderen. Einde van het verhaal.

De privé-uitwijkingen naar Noord-Frankrijk waren veel aanzienlijker. Uit Tielt alleen al weken in 1845 en 1846 respectievelijk 449 en 589 personen uit. Voor Roeselare waren dat er in 1847 vierhonderd tweeëndertig. Zelfs door behoorlijk onder de prijs te werken verdienden ze aanzienlijk meer in Roubaix of Tourcoing dan in Vlaanderen. Wat de Fransen zelf als zwaar werk en onderbetaald beschouwden, beschreven de Vlamingen als "gemakkelyk werk en hoogere dagloonen dan by onze fabrikanten."

Deze volksverhuizing zal ongeveer een eeuw min of meer blijven doorgaan, met als hoogtepunt een Vlaamse meerderheid in Roubaix in 1882.

Bovenstaande tekst is slechts een beknopte beschrijving van het leven en lijden van de West-Vlaamse linnenarbeiders in die periode. De tekst is nagenoeg volledig gebaseerd op het werk van Jozef Devogelaere (°1915-+1981) uitgegeven bij A.C.W. Roeselare-Tielt in 1982.

 

Daarna tonen we het prototype van het eerste schietspoelloze getouw van Frankrijk.Een ontwerp uit 1951 van Ingenieur Dewas (Amiens). Hier zien we voor het eerst hoe lansen de draad door de gaap voeren. Deze getouwen zullen vanaf de jaren 1960 de getouwen met schietspoelen verdringen. Maar niet iedereen bedient zich onmiddellijk van dit systeeem met twee lansen. Ter illustratie tonen we eerst nog een Fatexgetouw (Lyon-1960). De snelheid is nog altijd 120/min, maar spoelwissels veroorzaken geen tijdverlies meer. Eén enkele lans staat in voor het doorvoeren van de inslagdraad. Daarna zien we een Vamatexgetouw (Italië-1980). Hier zien we voor het eerst twee lansen effectief aan het werk zoals Mr. Dewas het voorstelde. Aangezien die maar de helft van de afstand afleggen in vergelijking met de Fatex, zien we hier de inslagsnelheid verdubbelen: 250/min. De volgende stap in de automatisatie is natuurlijk een computergestuurd getouw (1992-Picanol-België). 450/min. met twee lansen. Hier sluiten we ons historisch parcours af. Om het bezoek af te sluiten bieden we nog twee buitengewone getouwen ter bezichtiging. Het eerste heeft hoe dan ook niets met Jacquard te maken, maar we stellen het toch voor omdat het een pluche weeft, product dat veel heeft bijgedragen tot de naam en faam van de streek.